Geworpen

Jack 003

Voetballen kan ik niet. Kwestie van motoriek. Al die idyllische verhalen over avondlijke zaalvoetbalcompetities, eeuwige kameraadschap op afgelegen locaties, heroïsch afgescheurde enkelbanden – ik kan er niet over meepraten. Als een van de weinigen, lijkt het wel, vooral in deze tijd van kampioenschappen. ‘Nee, ik ga al bij Eddy kijken met de jongens van Trekveren 12’, krijg ik te horen als ik iemand pols voor het gezamenlijk volgen van een wedstrijd. En natuurlijk mag ik meekijken, maar dat sla ik vriendelijk doch resoluut af. Ik ken Eddy niet, noch de andere Trekveren, en heb geen zin in de rol van exotisch buitenbeentje. Dan toch maar liever thuis kijken, waar zelfs de kat in de verste verte niet geïnteresseerd is.

Mijn eerste en enige hoogtepunt als voetballer vond plaats in het begin van de jaren zeventig, toen ons gezin op bizarre wijze een aantal jaren in Zeeuws-Vlaanderen was beland. De mensen daar waren vrij eng, vond mijn zevenjarige ik en vonden eigenlijk ook de andere gezinsleden. Desalniettemin achtte mijn vader het een goed idee dat ik ‘bij de welpen’ ging. Een welp werd je echter niet zomaar, daar moest je wel wat voor doen. Ik heb het nooit verder gebracht dan teerling, een soort aspirantwelp, wat als voordeel had dat mijn ouders ook geen uniformpje hoefden aan te schaffen. Kennelijk had ik mijn afkeer al snel voldoende duidelijk gemaakt.

Niet snel genoeg echter om te voorkomen dat ik nog één keer mee op kamp ben geweest. Veel wij-doen-ons-best en dop-dop-dop-boef, en gezellige leiders van wie ik me niet veel meer herinner dan dat ze voortdurend liedjes met ons wilden zingen. Eng waren vooral de oudere welpen, verkenners en zelfs (als ik het me goed herinner) Rowans, puisterige jongens van misschien wel zestien of zeventien jaar die sigaretten rookten en niet mee hoefden te zingen. Voor welpen toonden zij geen belangstelling, laat staan voor teerlingen. Gelukkig maar. Ook sliepen zij in hun eigen tenten, over wat zich daar afspeelde wilde je niet nadenken.

De laatste dag van het kamp was er, natuurlijk, een voetbaltoernooi. Teerlingen, welpen, verkenners en Rowans werden zonder aanzien des persoons over de ploegen verdeeld, ik kwam terecht in een team waar ik werkelijk niemand kende en waarin iedereen ouder was. Ik bedacht een tactiek: een beetje meehollen in de buurt van de bal, vooral niet opvallen en me niet met het eigenlijke spel bemoeien. Daar kwam alleen maar ellende van, groepen Rowans die je na de wedstrijd opwachtten en zo. Reeds toen kende ik mijn motorische beperkingen, maar ga dat maar eens uitleggen aan een stelletje withete Zeeuwen. Zuinig met lomp geweld zouden ze wel niet zijn.

Al meteen in het begin van de wedstrijd zag ik mijn teamgenoten bezig voor de goal van de tegenstander. Ik holde braaf mee en was van plan op relatief veilige afstand van het rumoer te blijven, toen ineens de bal vanuit een soort scrimmage voor mijn voeten rolde. Ik schrok, gaf het ding een zetje met mijn voet en rende snel weg. Te laat, daar kwam al een stel opgeschoten ploeggenoten mijn kant op. ‘Was jij dat?’ Ik knikte schuldbewust. Nou zou je het krijgen, ik was al bezig met het formuleren van een excuus voor mijn ouders omdat mijn bril weer eens kapot was. Men feliciteerde mij. Ik had de 1-0 gescoord.

(eerder verschenen in Poolbode 2016/4, 19 juni 2016)

 

Advertenties