To Hölscher

19511419_1599214203484315_2501702042203611489_nMe vanochtend een klein beetje verdiept in To Hölscher (1898-1953), voormalig lerares van mijn moeder en naar blijkt een productief kinderboekenschrijfster in de jaren dertig en veertig. Schrijnend verhaal over haar jeugd, met overleden ouders en verblijven in weeshuizen. Toen ze eenmaal lerares was aan de ULO in Helmond kon ze volgens mij ook nog niet echt vrijuit ademen: “Ze kon geweldig goed vertellen over de reizen die ze had gemaakt met haar hartsvriendin Christine Banning; samen bezochten ze vele landen, tot aan Spitsbergen toe. Christine was ook bij de zusters in pension en evenals To onderwijzeres. In 1938 besloten de vriendinnen te gaan samenwonen. Zij betrokken een voor hen in de kloostertuin van de zusters gebouwd huis aan de Watermolenwal.” En: “To Hölscher was zeer excentriek. Ze had kortgeknipt ponyhaar, wat voor die tijd heel ongebruikelijk was. Ze droeg vaak een zwarte cape en had daarbij dan een grote zwarte hoed op.” De titels van de boeken zijn geweldig, met als hoogtepunt voor mij (om sentimentele redenen) ‘Hoe Trotskopje genas’. In de boekenkast van mijn ouders staat een boek met een opdracht van To Hölscher, dat mijn moeder had gekregen omdat ze een tien voor Bijbelse geschiedenis had. Voor Nijmegen is verder interessant dat To Hölscher ook nog een tijdje in Weezeninrichting Neerbosch heeft gezeten.

 

Advertenties

Fout

20156016_1628091273929941_239702027805926464_nVanochtend kwam ik in één klap een heleboel meer te weten over architect Johan van der Pijll, in Nijmegen met name bekend van het benzinestation aan de Muldersweg en de radiocentrale aan de Van Gentstraat. Uit het recent verschenen boek Bouwkunst en de Nieuwe Orde van David Keuning blijkt dat Van der Pijll in de Tweede Wereldoorlog, laten we zeggen, niet helemaal van smetten vrij was. Niet alleen maakte hij deel uit van diverse nationaalsocialistische organisaties, in mei 1944 schreef hij zich ook in als begunstigend lid van de Germaansche SS in Nederland. In 1946 werd hij veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf, ontzetting uit zowel het kiesrecht als het recht tot het bekleden van een ambt en het uitoefenen van een openbare functie, en een verbeurdverklaring van zevenduizend gulden. Niets van dit alles in het Wikipedia-lemma over Van der Pijll. Wel valt daar een merkwaardige lacune op tussen zijn laatste vooroorlogse gebouw (1939) en zijn eerste wederopbouwklus (1951).

 

MIN OF MEER BEROEMDE NIJMEGENAREN

19092623_1576149499124119_2788714484071462903_oNiet alleen Mata Hari, Nina Simone en A.F.Th. van der Heijden verbleven enige tijd in Nijmegen, ook Carl Norden was enkele jaren inwoner van deze mooie stad. Wie? Carl Norden, ingenieur, wereldberoemd in de Verenigde Staten, met als claim to fame een bommenrichtsysteem voor de Amerikaanse marine. De ‘Norden bombsight’ werd uitgebreid gebruikt door Amerikaanse vliegtuigen tijdens de Tweede Wereldoorlog en de Koreaanse Oorlog. Norden werd in 1880 geboren in Nederlands-Indië, maar na het overlijden van zijn vader in 1885 keerde het gezin terug naar Nederland. De weduwe Norden-Gersen woonde met haar vijf kinderen (Carl was de tweede) van 1887 tot 1891 aan de Nijmeegse St. Annastraat. In 1891 verhuisde het gezin naar Apeldoorn, in 1893 naar Dresden. Carl ging werken en studeren in Zwitserland, trok in 1904 naar Amerika, and the rest is history. Hij stierf in 1965. In 1994 kreeg hij een plaatsje in de National Aviation Hall of Fame in Dayton, Ohio.

 

Verheijen

17212031_1453681391370931_7332547915483812510_oGeboren op deze dag in 1880, te Steenbergen: Kornelis Verheijen, zoon van Pieter Verheijen en Maria Catharina de Krom. Kornelis trouwt op 27 september 1907 in Steenbergen met de 22-jarige Joanna Verbeek. Ze krijgen negen kinderen, nummer vier is Adriana Maria Cornelia Verheijen (3 september 1913 – 24 maart 2004): mijn oma van moederskant. Adriana heeft drie oudere broers, na haar komen eveneens voornamelijk jongens en haar roepnaam wordt daarom Zus. De baby op de foto is mijn oma (foto zal dus van ca. 1913/1914 zijn), de drie jongetjes zijn Petrus/Piet Verheijen (1908 – 1987), Cornelis/Kees Verheijen (ca. 1910 – onbekend) en Paulus/Pau Verheijen (1911 – 1995). Alles en iedereen komt uit Steenbergen dus ik denk dat de foto daar ook is genomen. Ergens rond 1930 trekt het gezin naar Beek en Donk, waar mijn oma Jacobus (Sjaak) van Kessel ontmoet. Ze trouwt in 1936 met hem en is daarna Zus van Kessel voor vrienden en buren. Kornelis Verheijen sterft op 30 juli 1944 in Beek en Donk.

Toppop yeah!

foto-20-11-16-17-47-15 Vandaag vier jaar geleden overleed de schrijver Frans Kusters. Tien dagen eerder was Nanne Tepper uit het leven gestapt, november 2012 was dus een droeve maand. Kusters was een vriendelijke man die ik vaag kende, we groetten elkaar op straat en kennelijk hadden we in de jaren negentig een keer wat langer gesproken. Dat weet ik omdat ik een jaar of tien geleden nog een keer met ‘m aan de praat raakte, op een feestje van een gemeenschappelijke kennis. Frans kwam op mij af omdat hij een anekdote moest vertellen, het was zo grappig, hij had een brief gekregen en gedacht dat die van mij was, al vond hij de stijl wat vreemd archaïsch, hij had in zijn antwoord een paar keer gerefereerd aan mijn proefschrift en achteraf was gebleken dat niet ik de afzender was maar mijn bijna-naamgenoot Dr. Jac. Van der Weide uit Dukenburg. Hij kwam soms niet uit zijn woorden van het lachten, ik vond het maar een matige anekdote maar zijn vrolijkheid werkte aanstekelijk.

Daar moest ik aan denken toen Thomas Verbogt vanmiddag bij boekhandel Dekker van de Vegt de Toppop gedichten van Frans Kusters ten doop hield. Kusters was geen groot dichter, dat wist en zei Verbogt ook, maar de verhalen die hij vervolgens weefde rond een aantal van YouTube geplukte clipjes (Anton Fasel was de veejay van dienst en voerde die rol met gepast amateurisme uit) maakten de middag, en daarmee ook de bundel, de moeite waard. Kusters en Verbogt leken zich vooral verlustigd te hebben aan de playbackende dames in Toppop, van Corrie Konings tot Patricia Paay en van Amanda Lear tot de vrouw van Duncan Browne. Ze zagen zich al door dergelijke vrouwen aanbeden bij hun ongetwijfeld glanzende schrijverscarrières – die toen nog moesten beginnen – en spraken daarover met onder anderen Pé Hawinkels, die iets realistischer in de wereld stond: “Die Corry Konings, vinden jullie die nou niet géil?”

Inderdaad, de middag had een hoog Top 2000-gehalte en de gemiddelde leeftijd van het publiek was daar ook naar. Een gemiddelde leeftijd die ik, eveneens groot geworden met Toppop, niet eens zo heel erg ver naar beneden haalde. Goed, filmpjes uit 1972 had ik niet meer live meegemaakt, maar vanaf eind 1975 zat ook ik, ik meen op maandagavond, aan de buis gekluisterd als Ad en Penny hun opwachting maakten. Baccara, Boney M, Blondie – als de dag van gisteren etc. “Na de uitzending”, eindigt Thomas Verbogt zijn inleiding, “gingen we dikwijls vermoeid maar dankbaar eten in Chinees-Indisch restaurant Kota Radja.” Dat kan ik ze dan weer niet nazeggen, maar wat een combinatie: Toppop en de Chinees! En zo Nijmeegs, uiteraard, net als soms de gedichten zelf, die oorspronkelijk gepubliceerd werden in het tijdschrift De Schans, onder het pseudoniem D. van Egeraat. ‘Roy Orbison in Nijmegen’, heet het eerste gedicht, dat als volgt eindigt:

O Roy, als je ooit in Nijmegen komt

mag je overnachten in de Commanderie

van Sint Jan en de voormalige vrouw van

de schilder Willink zal jou daar ter wille zijn

Op een poetry slam zou hij geen gek figuur hebben geslagen, Frans Kusters.

 

 

De vaders van de gedachte

Omslag - De vaders van de gedachte“Heb het slot van mijn roman nu mooi rond. Nu nog een paar kleine hoofdstukjes, én een miniatuurtje in de geest van de late Salinger, en dan gaat het onding naar de leden van mijn heksenkring die al rode stiften aan het inslaan zijn.” Aldus Nanne Tepper in een brief aan Geerten Meijsing, d.d. 13 november 1997. De roman in kwestie was De vaders van de gedachte, Teppers tweede, die in augustus 1998 verscheen en het jaar daarna op de shortlist van de Libris Literatuur Prijs kwam.

Tot die heksenkring behoorden ook huisgenoot W en ik, die twee weken later een dikke enveloppe met het manuscript ontvingen. Het begeleidende briefje: “Beste Jut & Jul, hierbij mijn nieuwe roman. Gaarne uw opinies etc. Excuses voor het ongemak. Nanne.” Ongemakkelijk was het inderdaad, om je mening te geven over het manuscript van iemand die je inmiddels goed kende. Mijn opmerkingen beperkten zich dan ook vooral tot kleine zaken, taal- en tikfoutjes, vragen en (dat durfde ik nog net) het aanstippen van al te nadrukkelijke Tepperismen. Wat ik wel zei: dat ik deze roman bij vlagen beter vond dan zijn bejubelde debuut.

En dat vind ik nog steeds. Vandaar dat ik een tijdje terug een bijdrage over De vaders van de gedachte voorstelde aan de redactie van het Lexicon van Literaire Werken. Het wat? Het Lexicon van Literaire Werken, “een losbladig naslagwerk waarin de belangrijkste literaire werken van deze eeuw worden besproken.” Doelgroepen zijn, volgens de informatie van de uitgever, studenten en docenten Nederlands, middelbare scholieren en “literatuurliefhebbers in de brede zin des woords”. Je ziet het vaak staan in bibliotheken, en het wordt met name gebruikt door scholieren of studenten die iets over een boek willen weten zonder het te hoeven lezen, door leraren en docenten die idem, en naar het schijnt dus ook door literatuurliefhebbers in de brede zin des woords.

De afgelopen dagen heb ik daarom de roman zorgvuldig herlezen, pen en papier bij de hand – ik schrijf niet in boeken. Dat kan soms tegenvallen, maar dat deed het zeer zeker niet. Citaten gegoogled, nummers opgezocht op YouTube (sommige dan) en zeker ook: recensies verzameld. Leve LiteRom, en zo nog een paar. Wat me bij dit soort exercities opvalt: hoe slordig veel recensenten zijn, maar ook hoe enkele positieve uitzonderingen in een paar zinnen een boek behoorlijk goed neer kunnen zetten. De meeste schrijvers zullen me dat niet nazeggen, daarvoor kennen ze hun eigen werk té goed. Een soort Viruly-effect, maar dan anders.

Nu het stuk nog schrijven.

Geworpen

Jack 003

Voetballen kan ik niet. Kwestie van motoriek. Al die idyllische verhalen over avondlijke zaalvoetbalcompetities, eeuwige kameraadschap op afgelegen locaties, heroïsch afgescheurde enkelbanden – ik kan er niet over meepraten. Als een van de weinigen, lijkt het wel, vooral in deze tijd van kampioenschappen. ‘Nee, ik ga al bij Eddy kijken met de jongens van Trekveren 12’, krijg ik te horen als ik iemand pols voor het gezamenlijk volgen van een wedstrijd. En natuurlijk mag ik meekijken, maar dat sla ik vriendelijk doch resoluut af. Ik ken Eddy niet, noch de andere Trekveren, en heb geen zin in de rol van exotisch buitenbeentje. Dan toch maar liever thuis kijken, waar zelfs de kat in de verste verte niet geïnteresseerd is.

Mijn eerste en enige hoogtepunt als voetballer vond plaats in het begin van de jaren zeventig, toen ons gezin op bizarre wijze een aantal jaren in Zeeuws-Vlaanderen was beland. De mensen daar waren vrij eng, vond mijn zevenjarige ik en vonden eigenlijk ook de andere gezinsleden. Desalniettemin achtte mijn vader het een goed idee dat ik ‘bij de welpen’ ging. Een welp werd je echter niet zomaar, daar moest je wel wat voor doen. Ik heb het nooit verder gebracht dan teerling, een soort aspirantwelp, wat als voordeel had dat mijn ouders ook geen uniformpje hoefden aan te schaffen. Kennelijk had ik mijn afkeer al snel voldoende duidelijk gemaakt.

Niet snel genoeg echter om te voorkomen dat ik nog één keer mee op kamp ben geweest. Veel wij-doen-ons-best en dop-dop-dop-boef, en gezellige leiders van wie ik me niet veel meer herinner dan dat ze voortdurend liedjes met ons wilden zingen. Eng waren vooral de oudere welpen, verkenners en zelfs (als ik het me goed herinner) Rowans, puisterige jongens van misschien wel zestien of zeventien jaar die sigaretten rookten en niet mee hoefden te zingen. Voor welpen toonden zij geen belangstelling, laat staan voor teerlingen. Gelukkig maar. Ook sliepen zij in hun eigen tenten, over wat zich daar afspeelde wilde je niet nadenken.

De laatste dag van het kamp was er, natuurlijk, een voetbaltoernooi. Teerlingen, welpen, verkenners en Rowans werden zonder aanzien des persoons over de ploegen verdeeld, ik kwam terecht in een team waar ik werkelijk niemand kende en waarin iedereen ouder was. Ik bedacht een tactiek: een beetje meehollen in de buurt van de bal, vooral niet opvallen en me niet met het eigenlijke spel bemoeien. Daar kwam alleen maar ellende van, groepen Rowans die je na de wedstrijd opwachtten en zo. Reeds toen kende ik mijn motorische beperkingen, maar ga dat maar eens uitleggen aan een stelletje withete Zeeuwen. Zuinig met lomp geweld zouden ze wel niet zijn.

Al meteen in het begin van de wedstrijd zag ik mijn teamgenoten bezig voor de goal van de tegenstander. Ik holde braaf mee en was van plan op relatief veilige afstand van het rumoer te blijven, toen ineens de bal vanuit een soort scrimmage voor mijn voeten rolde. Ik schrok, gaf het ding een zetje met mijn voet en rende snel weg. Te laat, daar kwam al een stel opgeschoten ploeggenoten mijn kant op. ‘Was jij dat?’ Ik knikte schuldbewust. Nou zou je het krijgen, ik was al bezig met het formuleren van een excuus voor mijn ouders omdat mijn bril weer eens kapot was. Men feliciteerde mij. Ik had de 1-0 gescoord.

(eerder verschenen in Poolbode 2016/4, 19 juni 2016)